logoplaatje

Palliatievezorg.nl Bibliotheek

Allochtonen en thuiszorg: Onbekendheid en angst voor gezichtsverlies remmen de vraag

plaatje: bulletDoor Rob Bruntink

Bij de zorgverlening aan ‘nieuwe Nederlanders’ spelen minstens twee problemen: er bestaat bij zorgvragers te weinig kennis over de beschikbare voorzieningen, en andersom bestaat bij zorgverleners een tekort aan specifieke kennis over cultureel bepaalde gewoonten en gebruiken. Om ook allochtone patiënten goede zorg te kunnen bieden, moeten die kenniskloven overbrugd worden, schrijft het Nivel in het onderzoeksrapport ‘De behoefte aan terminale thuiszorg voor Turken en Marokkanen’.
Het Nivel heeft onderzoek verricht naar de behoeften aan thuiszorg van ongeneeslijk zieke Marokkanen en Turken. Daarvoor werden twintig mantelzorgers geïnterviewd. De behoefte aan ondersteuning bleek even groot als bij autochtonen, zo staat in het onderzoeksrapport. Toch maken allochtonen minder gebruik van de thuiszorg. Daarover bestaan twee belangrijke misvattingen. De eerste is dat allochtonen geen behoefte aan professionele zorg hebben, omdat ‘hun gemeenschap’ voor de zieken zorgt. “Er bestaat echter geen informeel Turks of Marokkaans vangnet”, zegt Fuusje de Graaff, die voor het Nivel het onderzoek heeft verricht. “Evenmin wordt vanuit de moskee hulp geregeld.” De tweede misvatting is ‘dat men toch terug wil naar het moederland’. Dat gebeurt namelijk zelden. “De meesten willen bij hun naaste familie blijven, in Nederland”, zegt Fuusje de Graaff. “Bovendien is het vervoer veelal bezwaarlijk.”
Als iemand ongeneeslijk ziek blijkt, gaat het er in allochtone gezinnen in eerste instantie niet veel anders aan toe dan in autochtone. De zorg wordt in de beginfase van het ziekbed verleend door de naaste familie. Maar met deze vaststelling eindigt de overeenkomst. Waar autochtonen de weg naar de huisarts, de thuiszorg of de vrijwilligers terminale zorg vinden als de zorgbehoefte groeit, blijven allochtonen op het niveau mantelzorg steken. Daarvoor zijn twee redenen aan te geven. Meer dan autochtonen vinden zij het vanzelfsprekend dat de familie de zorg opbrengt, hoe zwaar het ook wordt. Zonder blikken of blozen houden dochters op met werk of studie als één van hun ouders ziek wordt. En ten tweede: “Zij zijn onbekend met de mogelijkheden van thuiszorg”, zegt Fuusje de Graaff. “Deels komt dit door taalproblemen. Daarnaast speelt mee dat niet iedereen zijn huisarts bezoekt. Juist hij of zij zou óók voor allochtonen de toegangspoort tot de professionele zorg moeten zijn.”

Kamer vol familie

Zelfs als er wèl contact met de huisarts is, is dat geen garantie voor een overstap naar de professionele thuiszorg. Veel artsen wijzen hen niet op het bestaan ervan, is uit het onderzoek gebleken. Dat kan komen doordat de zorgbehoefte lastig in te schatten is, geeft Fuusje de Graaff aan. “Het is niet ongebruikelijk dat de hele kamer vol familie zit als de dokter op huisbezoek komt. De dokter kan denken: ‘Er zijn genoeg mantelzorgers beschikbaar, ik hoef niet aan te komen met de mogelijkheid van ondersteuning door thuiszorg of vrijwilligers, ze redden zich hier wel.’ De kans is groot dat dit een misvatting is, die veroorzaakt wordt door een gebrek aan kennis over culturele gewoonten. Want het is niet ondenkbaar dat de hele familie juist wordt opgetrommeld omdat de dokter op bezoek komt. De kinderen van de patiënt zijn thuis om te tolken, de broer is gekomen omdat hij de beslisser in de familie is, en de tante komt langs omdat er eten klaargemaakt moet worden voor het bezoek. Het grootste deel van de zorg komt veelal op de schouders van een enkeling neer. Dat geldt zeker voor de lichamelijke zorg. Vaak wordt die verleend door een dochter of zus van de patiënt. Ook dat heeft een culturele achtergrond. Iemand naakt zien is een schaamtevolle situatie. Daarbij kunnen maar beter zo weinig mogelijk mensen betrokken worden. De mannen – die het meest te zeggen hebben – hebben vaak geen idee hoe zwaar de zorg na verloop van tijd gaat worden. De huisarts moet daar doorheen zien te kijken, en moet proberen in contact te komen met mensen die feitelijk de meeste energie en tijd in de zorg stoppen.”

Gezichtsverlies

Allochtonen staan zeker niet afwijzend tegenover thuiszorg. Meer dan bij Nederlanders, speelt echter de angst gezichtsverlies in de gemeenschap te lijden als ‘buitenstaanders’ ingeschakeld moeten worden voor de verzorging van een familielid. Ook dat gegeven maakt het lastig de reële zorgbehoefte in te schatten: men zal er immers niet snel om vragen, en zeker niet óvervragen. Het aanbod voor thuiszorg vereist dan ook een voorzichtige, en wellicht in de ogen van Nederlanders: omzichtige, aanpak. “De angst voor gezichtsverlies is niet – of in ieder geval minder – aanwezig als er ‘om technische redenen’ verpleegkundigen op bezoek komen”, ontdekte Fuusje de Graaff. “Van die kennis kan gebruik gemaakt worden, ook als het bij voorbeeld om nachtelijke ondersteuning gaat. Als naasten kunnen zeggen ‘Er komt een verpleegkundige op bezoek omdat zij apparaat X moet controleren of omdat alleen zij medicijn Y mag toedienen’ dan kan het bezoek makkelijk gerechtvaardigd worden.” Een andere manier om allochtonen tot acceptatie van noodzakelijke thuiszorg te verleiden, is het voorstel te doen ‘een weekje op proef’ te draaien.
Ongeveer de helft van het aantal geïnterviewden had ervaring opgedaan met de thuiszorg. Ze lieten zich overwegend positief uit. “Wat daarbij opvalt”, zegt Fuusje de Graaff, “is dat ze nauwelijks een mening hebben over de gespreksvaardigheden, maar ‘de zusters’ vooral waarderen om hun praktische en technische vaardigheden. Ik denk dat ze deze hulp makkelijker kunnen accepteren, omdat zij daar zelf niet goed in zijn. Wat ook opvalt: als eenmaal contact is gelegd tussen zorgverleners en patiënt, verschuift ‘het instituut thuiszorg’ naar de achtergrond. De verpleegkundigen en verzorgenden worden individuen die hen helpen, soms worden ze zelfs opgenomen in de kring van intimi. ‘Ze worden als mijn zussen’, zei een man letterlijk. Sommigen vinden het zelfs raar dat ze niet meer langskomen als de patiënt overleden is.”
Over de huisarts is men minder positief te spreken, zeker als de vergelijking met de zorgverleners van de thuiszorg wordt gemaakt. ‘De mensen van de thuiszorg komen bij mij thuis, en wassen dagelijks mijn moeder in bed’, zegt een man in het onderzoek. ‘Maar de huisarts blijft achter zijn bureau zitten.’ In het algemeen geeft de arts te weinig aandacht (wekt de indruk geen tijd te hebben, komt nauwelijks op huisbezoek) en doet hij te weinig onderzoek, vinden de geïnterviewden. De ontevredenheid over de huisarts is vaak dusdanig groot, dat de familie na het overlijden van de patiënt van huisarts probeert te veranderen.

Brochure

Op basis van het onderzoek heeft het Nivel een aantal aanbevelingen gedaan om de palliatieve zorg voor allochtone patiënten te verbeteren. Ze staan in de brochure ‘Tips voor terminale thuiszorg voor Turkse en Marokkaanse ouderen’. Eén van de aanbevelingen is dat de thuiszorg haar aanbod expliciet bekend zou moeten maken onder Turken en Marokkanen. Het Nivel pleit voor speciaal voorlichtingsmateriaal. De nog overwegend ‘witte’ zorgverleners in Nederland moeten zich meer verdiepen in de cultuur van allochtonen, luidt een tweede aanbeveling. Gebruik maken van deze kennis – met betrekking tot omgangsvormen, familieverhoudingen en rituelen bij voorbeeld – voorkomt immers misverstanden, waardoor het contact, en daarmee de zorg, verbetert.

plaatje: bulletPraten over de naderende dood
Allochtonen willen over het algemeen niet over de naderende dood praten. Een patiënt vertellen dat de ziekte onbehandelbaar is geworden, vinden ze een typisch Nederlands trekje, dat niet in hun cultuur past. ‘Dat kun je toch niet maken?’, zegt een Marokkaanse vrouw hierover in het onderzoek van het Nivel. En een Turkse man: ‘Het is zielig, pijnlijk en zinloos om dat tegen een patiënt te vertellen.’ Dit betekent niet dat zorgverleners het onderwerp niet kunnen aankaarten, meldt het onderzoeksrapport. Het moet echter wel op een zorgvuldige manier gebeuren: ‘Uit de verhalen van de respondenten blijkt dat het belangrijk is het goede moment te kiezen (niet te gehaast zijn, niet in een groot gezelschap), de persoon aan te spreken die informeel leiderschap vervult in de familie (dat is niet altijd degene die het beste Nederlands spreekt) en een duidelijke boodschap af te geven, die desondanks de ander niet forceert tot reageren.’
plaatje: bulletTolkencentra voor de zorg
Als de patiënt geen Nederlands spreekt, en er evenmin familieleden of andere naasten beschikbaar zijn die voor tolk kunnen spelen, kan een beroep op tolkencentra worden gedaan, die telefonische en persoonlijke tolkdiensten aanbieden aan zorginstellingen. De ervaringen met tolken zijn overigens wisselend. “Je hebt het gesprek nooit helemaal echt in de hand, en bovendien weet je nog minder dan bij Nederlands-sprekenden of de boodschap wel goed overkomt”, zegt bij voorbeeld een zorgverlener in een scriptie van HBO-V-studenten Elham Gaoui en Sylvie Verhulst over palliatieve zorg voor islamitische patiënten. Er kan ook een beroep gedaan worden op speciale gezondheidsvoorlichters. De adressen zijn te achterhalen via het landelijk coördinatiepunt voor de voorlichting in eigen taal en cultuur, dat is ondergebracht bij het NIGZ.
plaatje: bulletNa de dood
‘Het is de gewoonte dat de islamitische patiënt met het gezicht naar Mekka wordt gelegd. Na het overlijden zullen de ogen van de overledene gesloten worden. Er volgt een rituele wassing door mensen uit de gemeenschap. Daarbij wordt veel water gebruikt, er kan dus een speciale ruimte nodig zijn. Het lichaam wordt meestal drie keer gewassen. Bij vrouwen worden de haren in drie vlechten gebonden. De overledene wordt gekleed in een lijkwade, die het hele lichaam bedekt. Er mogen alleen goede dingen over de overledene worden gezegd. Er wordt gebeden voor zijn welzijn in het hiernamaals. De overledene wordt niet opgebaard. Het begraven gebeurt vaak zo snel mogelijk, het liefst binnen 24 uur. Hiervoor is toestemming nodig van de gemeente.’

Bron:
Elham Gaoui en Sylvie Verhulst in de scriptie ‘Stervensbegeleiding bij islamitische patiënten’. Ze studeerden hiermee in februari af aan de HBO-V van de Avans Hogeschool in Breda.
plaatje: bulletAllochtone vergrijzing
Naast de groep babyboomers van na de Tweede Wereldoorlog, vergrijst ook de eerste generatie migranten die in de jaren ’60 en ’70 naar Nederland kwamen. Een telling in het jaar 2000 wees uit dat in Nederland bijna 60.000 Turken en Marokkanen van boven de 50 jaar wonen (31.635 Turken, 26.560 Marokkanen). Zorgverleners in alle sectoren krijgen hierdoor steeds vaker te maken met ongeneeslijk zieken met een niet-Nederlandse achtergrond.

Reacties

Heeft u een mening over dit onderwerp? Dan kunt u hieronder reageren.