logoplaatje

Palliatievezorg.nl Bibliotheek

Veel stress bij kinderen van ouder met kanker

plaatje: bulletAls bij één van hun ouders de diagnose kanker is gesteld, blijken kinderen in negenentwintig procent van de gevallen last te hebben van klinisch verhoogde posttraumatische stress symptomen (PTSS). Hiervoor zouden zij professionele psychosociale hulp moeten krijgen. Dat zijn de belangrijkste conclusies die Gea Huizinga van het Universitair Medisch Centrum Groningen trekt op basis van onderzoek. Zij promoveerde midden december op haar onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen. De titel van haar proefschrift is: ‘The impact of parental cancer on children’.
Jaarlijks worden in Nederland ongeveer 9000 gezinnen met thuiswonende kinderen geconfronteerd met de diagnose kanker bij één van de ouders. In Nederland was nog geen onderzoek gedaan naar de psychosociale gevolgen voor kinderen als een ouder kanker heeft. In haar onderzoek volgde Huizinga 406 gezinnen. Zij onderzocht of en in welke mate problemen voorkomen bij kinderen tussen de 11 en 23 jaar. Tevens onderzocht zij de invloed van uiteenlopende factoren als leeftijd, geslacht en persoonlijkheidskenmerken van kind en ouder, maar ook het psychosociaal functioneren van de ouder met kanker en hun partner, kankergerelateerde factoren, relatietevredenheid van de ouders en het functioneren van het gezin.

Uit het onderzoek van Huizinga blijkt dat kinderen de eerste vier maanden na de diagnose bij de ouder, het meest last hebben van PTSS. Echter, ook één tot vijf jaar na de diagnose had 28% van de onderzochte kinderen klinisch verhoogde PTSS. Kinderen gaven aan ook meer andere emotionele en gedragsproblemen te hebben. Zij leken hun problemen in de loop van de tijd steeds meer met lichamelijke klachten te uiten. De ouders met kanker en hun partners observeerden ook meer emotionele en gedragsproblemen bij kinderen met meer PTSS, maar in mindere mate dan deze adolescenten zelf.


Huizinga benoemt verschillende factoren die het risico op verhoogde PTSS vergroten. Meisjes hadden meer problemen dan jongens; vooral adolescente meisjes bleken kwetsbaar. Kinderen die de ziekte van de ouder als ernstiger inschatten en kinderen die geneigd waren om met angst te reageren in stressvolle situaties, bleken meer problemen te hebben. Kinderen hadden ook meer problemen als de ouders een angstiger persoonlijkheid hadden, de ouders minder tevreden waren over hun relatie en wanneer de gezonde ouder meer stress had. Ook bleken kinderen van een ouder met teruggekeerde kanker kwetsbaarder te zijn. Kinderen liepen meer risico op problemen in ‘los zand’ gezinnen met weinig emotionele binding of in ‘chaotische gezinnen’ waar regels, rollen en normen voortdurend veranderden. Ook als de communicatie tussen kinderen en ouders meer problematisch en minder open was, bleek het risico op PTSS bij de kinderen groter.


Een groot aantal kinderen van een ouder met kanker blijkt niet meer problemen te hebben dan kinderen die dit niet meemaken. Toch blijkt meer dan een kwart van hen klinisch verhoogde PTSS te hebben, waarvoor zij professionele psychosociale hulp zouden moeten krijgen. Volgens Huizinga is het van groot belang dat de problemen van deze kinderen in een vroeg stadium gesignaleerd worden. Omdat de ouder behandeld wordt voor kanker, zijn deze kinderen vaak onzichtbaar voor hulpverleners in het ziekenhuis. De door Huizinga genoemde risicofactoren kunnen direct betrokkenen als familieleden, vrienden, buren, leerkrachten, medewerkers van thuiszorgorganisaties of (huis)artsen, helpen bij het traceren van kinderen met problemen.

Wilt u reageren op dit onderwerp?

plaatje: bulletDat kan hieronder.